Nationale Complimentendag

woensdag 1 maart 2017

Een dag mee op de ambulance: tijd genoeg om alles te weten te komen over de ins en outs van het ambulancebroederschap. “Agressie? Nee joh, echt zo’n mediadingetje. Dat komt heel weinig voor. Het is ontzettend dankbaar werk.”

HELDEN MET HUMOR

Tekst: Amanda den Hertog

De twee meter grote ambulanceverpleegkundige begroet me hartelijk als de roldeuren van ambulancepost Noord opengaan. Ik krijg een ambulancepak aan en tien minuten later komt de eerste melding. Een bejaarde vrouw heeft 112 gebeld voor haar –eveneens bejaarde- buurman. Hij is verward. Het adres is op steenworpafstand van het BovenIJ ziekenhuis. Met z’n drieën stappen we in de auto. John Koopen, de chauffeur, belt aan en de gespannen buurvrouw doet open. AJ loopt het huis binnen alsof hij er al jaren de deur platloopt.

“Dag buurvrouw!”, zegt hij vrolijk. “Ik ben Albert-Jan. U had gebeld voor de buurman?"
De mannen maken een grapje en de buurvrouw ontspant zichtbaar, terwijl AJ zich ontfermt over de buurman die wat verstrooid heen en weer loopt. AJ signaleert een plekje opgedroogd bloed op het hoofd van de man en vraagt: “Bent u gevallen?” “We gaan u even meenemen naar het ziekenhuis. Moet u de katten nog even een aai geven?”, vraagt AJ wijzend naar levensechte, pluche katten die in elkaar verstrengeld op de bank liggen.De man glimlacht. AJ pakt het gehoorapparaat, de leesbril en sleutels bij elkaar en zet nog een licht in de slaapkamer uit. John begeleidt de man naar buiten.

Je weet nooit wat je krijgt

Terwijl AJ achterin de auto vraagt of meneer weet wat voor dag het is vandaag, vertelt John dat ze gemiddeld vijf oproepen hebben per dienst, waaronder ook bestelde ritten.“Je weet daarbij nooit precies wat je te wachten staat. Ik had een keer een hele gezellige dienst met een collega op oudejaarsdag. We hadden nog één besteld ritje voordat we Oud en Nieuw konden gaan vieren. Dat bleek een jongen van 17 te zijn, hij had kanker. We brachten hem vanuit het ziekenhuis naar huis zodat hij daar kon sterven. Man, man, man, wat waren we down daarna.”

Rijden met ‘blauw’

Nog geen tien minuten later krijgen we de volgende melding. Een A1 rit: spoed. Een veertienjarig meisje is gevallen op de kunstijsbaan. John zet de sirenes aan en gast met een enorme snelheid richting ‘plaats ongeval’. De auto wordt geparkeerd en we stappen uit. Snikkend, met waterige ogen vertelt het meisje wat er gebeurde. Het meisje wordt de ambulance ingerold, waar AJ zijn controles doet en een infuus prikt. “We gaan wel even naar het ziekenhuis. Even uitsluiten dat het een ribfractuur is. Zal ik je even wat pijnstilling geven, lieve schat? Je kunt je er wel een beetje licht in je hoofd van voelen, wees niet bang hoor, dat is normaal”, zegt AJ geruststellend waarna hij John vraagt met enige spoed naar het Onze Lieve Vrouwe gasthuis te rijden.

Reanimatie

In het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis komt op dat moment een reanimatie binnen. Normaal gesproken gaan er twee ambulances, twee Basic Life Support-groepen (AED-vrijwilligers), politie en brandweer op een reanimatiemelding af. Maar dat je niet altijd op een melding kan afgaan, blijkt wel uit deze casus. De melding was een ‘gevallen fietser’.

John: “Dan denk je: oh prima, die lappen we even op en zetten we weer op z’n fiets, maar dat blijkt dan om een hartstilstand te gaan. Soms is het maar net wat mensen tegen de meldkamer zeggen.”
AJ bevestigt dat. “Je moet niet afgaan op de informatie die je hebt. Elke situatie is anders. Elke aandoening manifesteert zich bij iedereen weer op een andere manier. Soms zijn mensen alleen maar misselijk en komt er toch een blindedarmontsteking uit.”

Onderbuikgevoel

Het is de kunst om mensen thuis op te lappen. Presenteren in het ziekenhuis kost natuurlijk meteen een hoop geld. AJ: “Als ik iemand thuis laat, dan heb ik de verantwoording. Soms twijfel ik. Als ze me in het ziekenhuis vragen: waarom presenteer je deze patiënt? Dan zeg ik: onderbuikgevoel. Er klopt iets niet.”
Ook daarom is het belangrijk dat na de rit rapportage plaatsvindt. Toch blijft het altijd een momentopname. “Soms maak je een hartfilmpje en ziet het er prima uit, maar staan je collega’s daar twee uur later voor een reanimatie”.

Niet de casus, maar de emotie grijpt aan

Toch is het niet de reanimatie zelf die het meest heftig is. John: “Het slachtoffer ken je niet. Maar als chauffeur zit ik vaak naast de familie. Die huilen dan en beginnen soms te vertellen wat ze allemaal nog hadden willen doen. Die emotie van de familie grijpt je heel erg aan.”
AJ erkent dat: “Het is de emotie die je aangrijpt. Op het moment zelf doe je gewoon je ding, maar later denk je soms: oh ja, ik heb iemand horen schreeuwen of huilen. Later ga je dingen bij elkaar zoeken."

Afrekeningen, steekpartijen, schietpartijen, zwervers, psychiatrie, zelfdoding, het zijn allemaal zaken waar de jongens mee te maken krijgen. AJ: “Bij zelfdoding worden altijd twee auto’s gestuurd. De eerste moet naar binnen voor een doodverklaring. Ik moet zeggen, als de eerste auto er al is, en ik niet naar binnen hoéf, dan ga ik ook niet. Het is allemaal weer beeld dat je ergens opslaat. Je geeft het allemaal een plekje, maar op een gegeven moment is het emmertje vol. En of dat morgen is, over tien jaar of nooit, dat weet je niet.”

Als elke seconde telt

De volgende melding is ingeschoten door een huisarts. ‘Verdenking infarct’ bij een bejaarde vrouw. Zuchtend zit ze op de bank.
“Zal ik eerst even een hand geven? Dag lieverd, ik ben Albert-Jan.” De vrouw kijkt AJ hoopvol én gecharmeerd aan. Bij AJ is iedereen een schat of lieverd, leer ik later van John.
“Dokter, zeg het eens”, zegt AJ terwijl hij zich tot de huisarts richt.
De huisarts begint te ratelen. John gaat bij de patiënt zitten. ”Voelt u zich beroerd?”, vraagt hij en de vrouw knikt.
“U hart gaat een beetje snel, daarom voelt u zich waarschijnlijk ook zo appelig.”

Na het maken van een hartfilmpje wordt mevrouw op de brancard geholpen en naar de afdeling Cardiologie van het AMC gebracht. Daar aangekomen doet AJ de overdracht. In een monoloog van vijf minuten noemt hij alle medicatie, medisch relevante historie en waardes die hij tot nu toe heeft, uit z’n hoofd op. Een enkele keer onderbreekt de arts zijn verhaal met een vraag.Als we teruglopen naar de auto vertelt John: “Bij een acuut infarct telt elke seconde. Van elk stukje dat door een slechte doorbloeding afsterft, houd je namelijk de rest van je leven last. Zo’n patiënt is vaak binnen 15 minuten onder de handen van een interventie-cardioloog die de verstopping meteen oplost.”

Helden

De buitenlucht, de vrijheid, de collega’s en de afwisseling maken het werk bijzonder, vinden beide broeders. Geen dag is hetzelfde. Ondanks heftige casussen, blijven AJ en John nuchter en kunnen ze goed relativeren. Dat is nodig, ook voor de patiënt.
AJ: “Je kunt heel moeilijk en zwaar lopen doen, maar dat helpt niemand verder. Die mensen voelen zich al rot.”

De manier waarop deze jongens, dag in dag uit, met humor, liefde en aandacht voor patiënten zorgen is hartverwarmend. Ze brengen daarmee niet alleen geneeskundige hulp, maar ook opluchting, troost en geruststelling,wat op zo’n moment van onschatbare waarde is voor de patiënt. Onderweg terug naar huis kan ik maar één conclusie trekken: helden zijn het. Ware helden.