De mensen van DSW

woensdag 28 juni 2017

In de serie "De mensen van DSW" leren we een aantal medewerkers beter kennen. We beginnen met:

12 Vragen aan ex-topsporter Francien Huurman

Tekst: Amanda den Hertog

 Twee jaar duurde het, voordat ze inzag dat er geen uitdaging meer lag in haar gezellige ‘vriendinnenteam’ uit Pijnacker, waar ze vandaan komt. Op haar twintigste maakt ze de overstap naar de eerste divisie. Ze kreeg weer plezier in het volleybal en dat werd opgemerkt: een jaar later werd ze geselecteerd voor een speciaal trainingsprogramma voor de eredivisie en zo speelde ze in 1997 haar eerste wedstrijd voor Nederland. Vijftien jaar bleef Francien professioneel spelen, woonde daarvoor lange tijd in Italië zelfs een aantal jaren in Japan. Voor de sympathieke Francien allemaal geen reden om hoog van de toren te blazen. Ze is de nuchterheid zelve, bijvoorbeeld over één van haar mooiste momenten. De eerste keer dat ze, vanaf de tribune gadegeslagen door haar vrienden en familie, in haar oranje shirt voor Nederland speelde. ‘Dat was wel een dingetje’, zegt ze daarover met een glimlach.

1. Wat had je in je leven gedaan als je 1.55 m was geweest?

‘Haha, die vraag heb ik mezelf ook weleens gesteld. Ik denk dat ik dan ook mijn hbo-opleiding Vormgeving & Communicatie had gedaan en misschien organisator van evenementen of grafisch vormgever had geworden. Of ik was gaan volleyballen met 1.55m weet ik niet, misschien was ik met 1.55 m wel blijven badmintonnen.’

2. Hoe was de overgang van amateur naar prof?

‘Ik ging van vier avonden in de week trainen naar 30 uur per week trainen, dat had een grote impact. Het werd ineens een weektaak. Ik leerde hoe het is om professioneel met je sport om te gaan: dus trainen, rusten, goed eten, veel over ‘het spelletje’ leren, video’s kijken, tegenstanders analyseren, jezelf analyseren. En in 1998 ging ik al naar Italië, om daar voor een club te spelen, dat was ook een grote stap, weg uit het vertrouwde Nederland.’

3. Wat was het grootste compliment in je loopbaan?

‘Meetrainen met de Nederlandse selectie was een groot compliment. In 1996, het jaar ervoor, zat ik nog voor de televisie en zag ik die meiden spelen. Ik had nooit gedacht dat het in mijn bereik lag om zoiets te halen, dus dat was voor mij heel bizar. In mijn eerste jaar in het Nederlands team kreeg ik heel veel speeltijd, ook dat was een groot compliment.’

4. In 2007 won je met Nederland goud in China. Hoe voelde dat?

Ik weet nog dat we slecht begonnen dat toernooi, en dat we met elkaar besloten er maar het beste van te maken. Maar alles klopte. Het was gezellig met de teamgenoten, maar in het spel gingen we er vol voor. We gingen spelen, niet nadenken. In de laatste week wonnen we alle wedstrijden van alle grote landen, en dat is wel heel mooi, dan kijk je elkaar aan van: wat is dit?! Het was zo’n toernooi waar we echt in de flow zaten. Het voelt alsof het vanzelf ging, maar als ik terugkijk zie ik dat er heel hard voor is gewerkt. Niemand had verwacht dat we zo ver zouden komen.’

5. Topsporters houden niet van verliezen. Hoe ging jij ermee om?

‘Dat leer je wel, het is een proces waar je doorheen moet. Een toernooi win je niet in één wedstrijd, dus het goed om het proces in ogenschouw te houden. Je moet kunnen accepteren dat het een dag niet gaat, de positieve dingen eruit halen en trainen voor verbetering. Je moet echt leren relativeren, anders word je gek. En de volgende keer gewoon winnen natuurlijk!’

6. Ze zeggen dat topsport een verslaving is. Kun je dat bevestigen?

‘Ja, ik ben nu vijf jaar gestopt, en ik heb echt moeten afkicken. Dan bedoel ik met name de adrenaline die je hebt. Je traint, je leeft naar een wedstrijd toe, je speelt hem, je wint. Dat is op dat moment het belangrijkste van de hele wereld. Daar krijg je lichamelijke echt een kick van. Je voelt je onoverwinnelijk. In het dagelijkse leven heb je die grote pieken en dalen niet. Het is wat vlakker. Die uitschieters mis ik wel. Maar dan komt dat relativeringsvermogen weer om de hoek kijken. Volleybal is maar een spelletje. Het is een groot deel van mijn leven geweest, waar ik veel van geleerd heb en met trots op terugkijk. Maar ik ben niet meer Francien de Volleybalster. Ik ben gewoon Francien, de persoon.’

7. Dat lijkt me wel essentieel. Topsporter zijn is echt een deel van je identiteit.

‘Ja klopt, als je echt heel goed wil worden in een sport, word je het bijna 100%. Maar het is belangrijk om onderscheid te maken, sport is ook erg kwetsbaar. Als je een zware blessure hebt, kun je ineens je ‘identiteit’ kwijtraken. Toen ik stopte heb ik mijn identiteit terug moeten vinden. Sport was mijn hele belevingswereld en die wereld werd ineens veel groter. Ik ging denken: Wie ben ik? Ik begon mijzelf toen meer als persoon verder te ontwikkelen. Ik heb bijvoorbeeld van het werkende leven al veel opgepikt. Hele simpele dingen: bijvoorbeeld hoe gaan mensen met elkaar om? In de sport werd veel voor me geregeld, waardoor ik in het begin onzeker was over het maken van eigen keuzes. Nu vertrouw ik veel meer op eigen kunnen.’

8. Wat is het heftigste dat je meemaakte in je carrière?

‘Ik ben ziek geweest. Begin 2006 kreeg ik borstkanker. Ik zeg het nu vrij makkelijk, maar dat heeft een enorme impact gehad. Ik was 30 en zat middenin mijn volleybalcarrière toen dit plotseling voorbij kwam. Ik wist niet of ik ooit nog wel zou kunnen volleyballen. En waren veel onzekerheden op dat moment. Ik liet het volleybal vallen en ging volledig voor mijn gezondheid, maar ik dacht wel: ik laat niet één of andere ziekte mij afhouden van mijn passie. Ik wilde hoe dan ook weer terugkeren. Tijdens mijn revalidatie was elke keer dat ik weer iets kon een cadeautje. Een jaar later liep ik het veld weer op, in een oranje shirt met mijn naam erop. Het was een wedstrijd tegen Cuba, in China, ik weet het nog heel goed. Ja… (stilte). Dat was een groot moment. Het ging verbazingwekkend goed.’

9. Hoe zijn topsporters te generaliseren ?

‘Topsporters zijn allemaal doorzetters, perfectionistisch, gedreven, harde werkers. Ik denk ook wel een beetje in de aandacht willen staan. Ik wilde ook gewaardeerd worden om mijn spel. Je traint er hard voor en dan is het leuk als iemand opmerkt dat je goed bent geworden. Het is dubbel, want je moet een teamplayer zijn, maar iedereen wil ook de beste zijn. Het is een concurrentiestrijd. Die strijd moet je wel aan willen gaan.’

10. Hoe was de overgang van topsporter naar gewone burger?

‘Ups en downs. Ze hebben het natuurlijk altijd over een zwart gat, ik heb niet echt in een zwart gat gezeten, maar ik begrijp wel wat ze ermee bedoelen. Ik moest zoeken naar wat ik wil bereiken in het leven. Het was in die tijd niet makkelijk om een baan te vinden en je moet jezelf erg aanprijzen. Het was lastig om zonder werkervaring te laten zien dat je wel veel in huis hebt. Wat ik overgehouden heb aan mijn leven als topsporter is dat ik echt een teamplayer ben. Ik vraag veel om feedback. Terwijl je natuurlijk ook dingen alleen moet doen en moet beslissen. Dat zijn dingen die ik moest leren. Ik doe graag dingen samen, schouders eronder, voor het algemene doel.’

11. Wat vertel je nu op verjaardagen dat je nu doet?

‘Toen ik net was gestopt wist ik niet goed hoe ik mezelf moest presenteren naar de buitenwereld. Vroeger kon je zeggen: ik ben topsporter. Daarna was het: ik ben ex-topsporter. Maar toen ik net bij DSW werkte dacht ik: ja, wat ben ik nu? Als mensen vroegen wat ik deed zei ik haast verontschuldigend: ik werk nu even tijdelijk bij een zorgverzekeraar. Accepteren dat mijn topsport-carrière voorbij was, kostte tijd. Het duurde even voordat ik me op m’n plek voelde, maar nu heb ik m’n focus weer terug. Ik kan nu met overtuiging zeggen dat ik bij DSW op de afdeling Overeenkomsten werk. Ik heb de afdeling de afgelopen drie jaar enorm zien verbeteren. We werken veel efficiënter en denken veel breder dan alleen het versturen van contracten en inregelen van tarieven. Dat maakt het interessant.’

12. Welke wijsheid kun je meegeven?

‘Je moet nooit stoppen ergens in te geloven. Nooit denken dat iets niet kan. Soms komen er kansen voorbij die je gewoon moet aanpakken. Don’t stop believing!’